Hoe kom je van een onterechte, negatieve BKR registratie af?

by Mr Frank Visser | december 12, 2020 | 0 Comments
Hoe kom je van een onterechte, negatieve BKR registratie af?

Een negatieve BKR toetsing, rechtsbescherming.

Inleiding­

Het Bureau Krediet Registratie (BKR) verzamelt, vastlegt, ordent en verstrekt persoonsgegevens van consumenten ter voorkoming van overkreditering en problematische schuldsituaties, uiteraard mede in het belang van kredietverstrekkers. Kredietverstrekkers zijn ten aanzien van het BKR verplicht om betalingsachterstanden te melden. De zogenaamde A melding.

Naast de ‘A’ codering (en de ‘H’ code = herstel) hanteert het BKR nog zes bijzonderheidscodes die aangeven hoe de betalingsachterstand er voorstaat.

A1 codering: Er is een aflossings- of schuldregeling getroffen, nadat de achterstandssituatie is ontstaan.

A2 Codering: De (restant)vordering is opeisbaar gesteld.

A3 Codering: Er is een bedrag van € 250 of meer afgeboekt. Slechts wanneer afboeking wegens finale kwijting plaatsvindt, moet tegelijkertijd met de code 3 een einddatum worden gemeld. In andere gevallen wordt geen einddatum gemeld.

A4 Codering: De kredietnemer blijkt/bleek onbereikbaar.

A5 Codering: Een A5 codering betekent dat er een preventieve betalingsregeling is gemaakt. Deze codering is altijd tijdelijk. Als de betalingsregeling is voltooid wordt de codering volledig verwijderd.

RN Codering: De RN codering wordt geplaatst als NHG in verband met restschuld een bedrag van de hypotheek heeft afgeboekt.

Code H: De code H betekent dat de achterstand is ingelost.

Een dergelijk melding kan onnodige, desastreuze gevolgen hebben. In de praktijk vooral, als daarbij de code 2 en/of code 3 wordt gehanteerd. Die codes houden huiselijk gezegd in, dat de kredietverstrekker overgaat tot incasso dan wel afschrijving op de schuld. Iemand met een dergelijke negatieve registratie kan een nieuw krediet in de regel wel op zijn buik schrijven.

Want andere kredietverstrekkers zien die negatieve notering natuurlijk onmiddellijk, als ze de nieuwe kredietaanvraag toetsen bij het BKR. Die ellende kan jaren lang aanhouden, omdat dergelijke registraties in de regel niet eerder dan na vijf jaar worden verwijderd. In die tijd kan er veel veranderen. Bovendien kan een negatieve registratie al bij heel kleine, of anderszins te verwaarlozen betalingsachterstanden worden opgelopen.

Bij een doorlopende kredietovereenkomst met roodstand faciliteit (dus rood mogen staan bij de bank) kan dat bijvoorbeeld al bij een achterstand van meer dan €  250,–.

Weliswaar is de kredietverstrekker, voordat zij overgaat tot registratie van een achterstand, reglementair verplicht de klant te waarschuwen (een zogenaamde ‘vooraankondiging’), maar dat gaat ook geregeld mis. Al was het maar, omdat slordige betalers vaker dan anderen ook slordig met hun post omgaan.

Op dit moment geldt het Reglement CKI van 1 februari 2020. Dat reglement heeft in beginsel slechts interne werking, dat wil zeggen tussen de sinds 1965 bestaande Stichting BKR en de daarbij aangesloten ‘zakelijke klanten’, te weten de op grond van de WTF bij het BKR aangesloten financiële instellingen, meer in het bijzonder kredietaanbieders. Consumenten, van wie de gegevens in het BKR register worden opgenomen, zijn daarbij geen partij.

 

Dat wil echter niet zeggen, dat ze rechteloos zijn. Juist wanneer hun belangen door een onterechte BKR registratie worden getroffen hebben ze behoefte aan bescherming en krijgen ze die dan ook.

 

De situatie vóór 25 mei 2018.

Vóór 25 mei 2018 werd de problematiek rondom de BKR registratie geheel en al beheerst door de Wet bescherming persoonsgegevens, die overigens uitvoering gaf aan de Europese richtlijn 95/46/EG  betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens. Ik laat de rechtspraktijk voor die datum in zoverre buiten beschouwing, dat ik als het ware onmiddellijk inzoom op het baanbrekende arrest van de Hoge Raad van 9 september 2011.[1]

Het ging in deze zaak om een BKR registratie in 2006 met code A2, naar aanleiding van een onmiddellijk opeisbaar geworden doorlopend krediet van € 315,18. In 2017 is die achterstand ingelopen. In 2008 verzocht de klant de registratie te verwijderen, omdat deze problemen opleverde bij het aangaan van een hypothecaire lening. Dat werd geweigerd, waarna de zaak aan de rechter werd voorgelegd. In geschil was of bij de beoordeling van dit verzoek een belangenafweging moest worden gemaakt en zo ja, welke.

De Hoge Raad overwoog dat de toenmalige Wbp moest worden uitgelegd in overeenstemming met artikel 8 van het EVRM (recht op eerbiediging van privéleven, wat met zich meebracht dat bij elke gegevensverwerking moest zijn voldaan aan de beginselen van proportionaliteit en evenredigheid. Alle omstandigheden van het geval moeten in aanmerking worden genomen. Dus geen algemene beginselen!

 

De situatie na 25 mei 2018

Na 25 mei 2018 wordt de rechtsbescherming op het gebied van gegevensbescherming geregeerd door de Europese Algemene verordening gegevensbescherming (EAVG) en de daarop gebaseerde Uitvoeringswet.

Om te beginnen kan een gedupeerde consument de betrokken kredietverlener verzoeken de negatieve registratie te verwijderen. Deze kredietverlener is verplicht om daarop te beslissen. Bij een negatieve beslissing ligt de weg open naar de gewone rechter.

 

De wet voorziet in een speciale verzoekschriftenprocedure[2], als een gegevensverwerker, zoals de kredietverlener, weigert in te gaan op een verzoek tot verwijdering.[3] Dat betekent niet, dat daardoor de weg naar de gewone civiele rechter is afgesneden. [4]

Deze bijzondere rechtsgang, voorzien in artikel 35 van de uitvoeringswet, staat echter niet in de weg aan de mogelijkheid om op grond van onrechtmatige daad een vordering in te stellen bij de gewone civiele rechter.[5] Bovendien komt men in spoedsituaties toch bij de gewone voorzieningenrechter terecht (dagvaarding).[6]

 

Wat opvalt in de zaken, die sinds 2015 aan de gewone rechter zijn voorgelegd, is dat rechtstreeks wordt aangehaakt bij de EAVG en niet meer wordt ingegaan op het bepaalde in artikel 8 EVRM. Nadat eerst is onderzocht of de BKR registratie op zichzelf gerechtvaardigd was, wordt vervolgens bezien of het doel wat deze registratie dient, nog wel langer opweegt tegen de belangen van de betrokkene bij verwijdering ervan. Wat dat betreft zien we in de rechtspraktijk dus een voortzetting van het door de Hoge Raad hiervoor weergegeven beoordelingskader. De zgn. proportionaliteitstoets. Dat leidt tot een nogal casuïstische jurisprudentie. Wel zien we telkens een aantal bijzondere aandachtspunten terugkeren:

  1. de aard en ernst van de oorspronkelijke wanbetaling; waaronder de eigen schuld van betrokkene en de hoogte van het achterstallige krediet;
  2. of en zo ja, in hoeverre betrokkene zich daarna heeft gerevancheerd, heeft aangetoond weer kredietwaardig te zijn;
  3. de inmiddels verlopen tijd;
  4. of en zo ja in hoeverre, betrokkene op het moment van beoordeling wordt benadeeld door de voor hem negatie BKR registratie.

Het spreekt in zoverre voor zich, dat het nogal wat uitmaakt, of een negatieve BKR registratie is opgelopen omdat bijvoorbeeld een telefoonabonnement niet netjes is afgewikkeld of omdat betrokkene failliet is gegaan! Naar mijn smaak hanteert de rechtspraak een gezond verstand toets. Notoire en/of ernstige brokkenmakers maken weinig kans en eenmalige misstappen mogen rekenen op het nodige begrip. Ik heb daarbij niet het idee, dat het iets uitmaakt of men de weg van het verzoekschrift of de dagvaarding kiest. Bovendien zie ik geen wezenlijk verschil tussen kort geding procedures en bodemprocedures.

 

Geschillencommissies.

Naast de weg naar de gewone rechter, bestaat er ook de weg naar een aantal geschillencommissies, om vermeende onterechte BKR registraties aan te pakken.

De belangrijkste is ongetwijfeld de Geschillencommissie Bureau Kredietregistratie (GBKR), die uitspraak doet bij wege van bindend advies, zoals voorzien in artikel 31 van het Algemeen reglement CKI 2020.[7] Belangrijk voordeel voor de consument is dat het goedkoop is (klachtengeld € 50) en dat je geen advocaat nodig hebt. Deskundige bijstand is overigens wel gewenst, want de materie is ingewikkeld en de tegenpartij laat zich wel vertegenwoordigen door experts.

Als we de gepubliceerde rechtspraak van de GBKR raadplegen, zien we ook hier een casuïstische toepassing van de proportionaliteitstoets. Ik heb geen enkele verwijzing kunnen vinden naar de door het BKR in januari 2018 gepubliceerde Handreiking belangenafweging, bedoeld voor de beoordeling van klachten door het BKR zelf, welke handleiding naar zijn aard nu juist streeft naar een zekere eenvormigheid. Dat de GBKR daar niet naar verwijst lijkt mij juist, nu bij de proportionaliteitstoets nu juist alle omstandigheden van het concrete geval moeten worden betrokken. In zoverre geeft genoemde handleiding al te denken, waar deze ervan uitgaat, dat de nodige belangenafweging al in het Algemeen reglement CKI is gemaakt, zodat deze alleen in uitzonderingsgevallen anders kan uitpakken. Het begrip ‘uitzonderingsgeval’ is echter vreemd aan de door de rechtspraak gehanteerde proportionaliteitstoets.

 

Hoe dan ook, wat mij betreft voldoet de GBKR beslist aan de eisen, als het gaat om toepassing van deze proportionaliteitstoets. Er wordt echt gekeken naar het geval op zich, waarbij naar mijn smaak soms meer coulance met de klager wordt betracht, dan bij de burgerlijke rechter. Illustratief wat dat betreft is de uitspraak van 9 juni 2020 (nr. 20.13)[8] waarin zelfs de omstandigheid, dat betrokkene uit een groot gezin in een achterstandsbuurt afkomstig was en de schuld was aangegaan om te kunnen studeren, mede redengevend was voor de gegrondverklaring van de klacht. Dat zal je bij de gewone rechter niet snel meemaken.

Ook de Geschillencommissie Financiële Dienstverlening (GFD) van het Kifid kan worden aangezocht om een onterecht voortdurende, negatieve BKR registratie aan te vechten. In de praktijk zien we dit vaak gebeuren in samenhang met een gelijktijdige klacht over opname in het Incidenten register en het Externe Verwijzingsregister  (EVR). Dat laatste naar aanleiding een ernstige verdenking van fraude (een strafrechtelijke veroordeling is niet nodig, een enkele verdenking is onvoldoende). In combinatie met kredietverlening hebben we het in de regel dan om een hypotheekaanvraag, waarin een onware opgave van persoonlijke situatie en/of inkomsten is gedaan. Een dergelijke opname in genoemde registers is fataal voor elke nieuwe kredietaanvraag en in zoverre dus veel meer verstrekkend van aard dan een A melding in het BKR. Omdat in die gevallen uiteraard ook de op basis van de frauduleuze aanvraag al verstrekte hypotheek wordt opgezegd, leidt dat in de regel bovendien tot een negatieve BKR registratie. Daarom zal betrokkene, die opkomt tegen de opname in het Incidentenregister en het EVR, tegelijkertijd opkomen tegen (langdurige) opname in het BKR register. De GFD doet daarover dan gelijktijdig uitspraak. Daarbij valt op, dat de GFD tamelijk streng is voor de bank. Er moet echt hard bewijs zijn van de fraude.

Waar opname in het Incidentenregister en het EVR door de GFD akkoord wordt bevonden, ligt het niet voor de hand om de BKR registratie op te heffen. We zien wel dat de GFD de duur van die registraties probeert gelijk te trekken. (Zie bv Uitspraak GFD nr. 2020-401.) [9]

Wat natuurlijk niet mag, is eerst een bindend advies vragen aan de GBKR en, als dat niet gunstig is, nogmaals aan de GFD.

Een interessante bijkomstigheid, bij het voorleggen van klachten aan de GFD is, dat men een proceskostenvergoeding kan vragen!

 

Slotsom

Naar mijn mening kan de consument, die gehinderd wordt door een op zichzelf in aanvang terechte, maar te lang voortdurende negatieve BKR registratie, het beste kiezen voor een gang naar de GBKR. Goedkoop en eerlijk. In spoedgevallen ligt een kort geding bij de burgerlijke rechter meer voor de hand. Een bodemprocedure bij de gewone rechter, verzoekschrift- of dagvaardingsprocedure, duurt lang en is duur. Het Kifid zou ik persoonlijk mijden.

 

Daarbij spelen alle omstandigheden van het geval een rol, waarvan het de persoon van betrokkene, het nadeel dat deze door de registratie lijdt, diens financiële handel en wandel, diens financiële toekomstperspectief en het tijdsverloop de belangrijkste zijn.

 

Ik zelf hanteer de ‘gezond verstand’ toets. Is het aannemelijk dat betrokkene weer de fout ingaat of niet.

 

© Mr. Frank Visser, Hilversum, december 2020.

 

[1] ECLI:NL:HR:2011:BQ8097

[2] Men mag zonder advocaat procederen, maar dat is beslist af te raden. Beter laat men zich vertegenwoordigen door een deskundige, zoals bijvoorbeeld Dynamiet Nederland.

[3] In beginsel richt men zich tot de kredietverlener. Als die positief beslist, maar het BKR besluit zelfstandig de registratie toch niet te verwijderen, moet men het BKR in rechte betrekken.

[4] Zie bv. Rechtbank Midden-Nederland 15 juli 2019 ECLI:NL:RBMNE:2019:3644.

[5] Hiervoor heeft u wel een advocaat nodig

[6] Zie de vorige voetnoot.

[7] https://www.bkr.nl/media/1340/bkralgemeenreglement1februari2020.pdf

[8] https://www.bkr.nl/media/1433/2013publ.pdf

[9] Via https://www.kifid.nl/uitspraken/ te radplegen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *